The days of turtles and temples
2 oktober 2024 - Sigiriya, Sri Lanka
De oostkust van Sri Lanka is heel anders dan de westkust, en dat is ook precies de reden dat we ruim honderd kilometer omreden om daar twee volle dagen te kunnen verblijven. De zee in het westen is vrij ruig en het strandzand is wat gelig, maar in het oosten is het water turkooisblauw en het zand wit - en dat wil je natuurlijk niet missen. Onze accomodatie was een cabana die recht aan het strand stond; een prachtig plekje, wat afgelegen buiten het dorp Nilaveli (maar met de tuktuk geen probleem). In het oosten van Sri Lanka is het seizoen in oktober voorbij en dat merk je, want van de acht cabanas waren er maar twee bezet en na twee nachten waren wij nog de enigen. Het personeel is erg vriendelijk maar ook erg chill, wat ertoe leidt dat ze er niet altijd zijn als je ze nodig hebt en ze overal hun tijd voor nemen waardoor alles lang op zich laat wachten (maar waardoor ze ook vergeten eten op de rekening te zetten). De plek moest het hebben van de cabanas zelf, die heerlijk waren (op de insecten in de badkamer na) en het prachtige verlaten strand. Op onze aankomstdag maakten we een wandeling over het strand en aten we bij een andere hotel aan het strand (dat welgeteld tien gasten had i.p.v. vier) de meest verse vis ooit, want de vissers waren tien meter verderop net bezig hun buit uit de netten te halen en aan de kok te overhandigen.
Onze eerste volle dag in Nilaveli stond in het teken van snorkelen en duiken. Jelmer wilde graag duiken, dus waren we op onze aankomstdag naar de lokale duikschool gegaan die voor ons een trip regelden naar Pidgeon Island, het nabijgelegen marinereservaat. Er waren nog twee Duitse meiden mee, plus een zogenoemde dive master voor de duik van de gecertificeerde Jelmer en Zoe, en een duikleraar voor de onervaren Zoe. Ik werd afgezet op Pidgeon Island zelf, waar ik vanaf het strand zo kon gaan snorkelen. Toen de eerste duik klaar was kwamen Jelmer en de Duitsers mij vergezellen. Pidgeon Island zelf was niet bijster interessant (een erg klein eiland met stugge boompjes en een intens heet strand), maar het rif wat je gemakkelijk kon bereiken vanaf het strand was fantastisch. Aan de ene kant van het eiland zag ik ontzettend veel verschillende vissen tussen het mooie rif en aan de andere kant van het eiland hoefde je maar tien meter te zwemmen om al een op z'n kop etende schildpad en drie zwartpuntrifhaaien te zien. De duikers zagen geen groot wild, maar waren wel erg content met een bearded scorpionfish en felgekleurde zeenaaktslakken. Zelf was ik het meest gelukkig met de enorme etende schildpad waar we recht overheen zwommen. Die honderd kilometer om was het zeker waard!
De volgende dag begon met eens goed uitslapen en vervolgens ontbijten met pannenkoeken bij een ander hotel (met iets snellere service; iets...). Daarna gingen we samen met Sophie en Zoe op pad naar het noorden, want volgens de Lonely Planet was die weg een niet-toeristische scenic route met wat mooie bezienswaardigheden. Dat klopte wel zo ongeveer. Sophie en Zoe hadden een scooter geleed van de zoon van hun gastvrouw en kachelden achter onze tuktuk aan. De eerste bezienswaardigheid was een prachtige maar verlaten stupa op een punt tussen twee stranden in; daarnaast stond een oude stupa op een rots waarvandaan je een goed uitzicht had. Het zeewater was aanlokkelijk, maar we waren te bang om te verbranden in de felle hitte, dus bleven we in de schaduw van de bomen. Een paar kilometer verderop was de andere bezienswaardigheid, namelijk de oudste tempel van Sri Lanka (!), gebouwd in de derde eeuw v.C. (Girihandu Seya). Dat was erg bijzonder, want er was volstrekt niemand, behalve een oude monnik om toegangskaartjes te verkopen en die op onze vervoersmiddelen paste om te voorkomen dat de apen en honden ze zouden beschadigen. We moesten een eindje de berg op en door de jungle heen voor deze oude stupa, maar het was het dubbel en dwars waard, want het was erg bijzonder om zo'n historische maar toch zo'n verlaten plek te zien. Na deze stupa was het alweer 16:00 en omdat het om 18:00 al donker werd besloten we om terug te rijden. We gingen naar ons inmiddels vaste restaurant voor cocktails en een late lunch / vroeg avondmaal, om dan toch af te koelen met een verfrissende duik.
Op donderdag lieten we Nilaveli achter ons en tuktukten we naar Sigiriya, waar we een heus hostel hadden geboekt voor de aankomende nachten (wel een privekamer; de tijd van dorms is voorbij). Het Tree House Hostel is een erg sociaal hostel vol Duitse, Nederlandse en Engelse backpackers, een pooltafel, middelmatig eten, en (gratis) wandelingen voor mooie zonsop- en/of zonsondergangen. We gingen mee voor de zonsondergangwandeling; een kort ritje in de jeep naar een grote rots en een korte klim naar boven, waar we beloond werden met een spectaculair uitzicht op de jungle en heuvels en een veelbelovende maar toch teleurstellende zonsondergang (last minute wolken...).
De volgende dag wilden we rustig starten, maar we werden om 8:30 al ons bed uit gebonkt door werkzaamheden in het hostel. Dat is nog iets interessants wat opvalt in Sri Lanka: er wordt altijd en overal gebouwd en geklust. Op het programma van de dag stonden de grotschilderingen in Dambulla, een klein halfuurtje met de tuktuk vanuit het hostel. Dit was weer een wat meer toeristische tempel, wat je vooral merkt door de vele locals die je wat proberen te verkopen (bloemen, kettingen, gebeden) voor de prijs van 'een donatie' (maar wee je gebeente als die donatie te laag is). De grotten zelf waren erg interessant: overal stonden beelden van Boeddha (en af en toe een Hindoegod of oude koning) en het plafond en de muren waren vol geschilderd met afbeeldingen van Boeddha en zijn geschiedenis, geometrische figuren, en boomtakken. Met de Lonely Planet en Wikipedia konden we toch best wat details ontdekken. Op de terugweg naar het hostel begon het te regenen en omdat we de vorige dag extreem lang hadden moeten wachten op ons eten in het hostel, besloten we in het dorpje Sigiriya wat te eten. Je merkt overigens dat dit een veel toeristischere plaats is dan de vorige plekken waar we zijn geweest: meer toeristen, meer souvenirwinkels, en meer gezellige restaurantjes met sfeerverlichting.
De volgende dag was een druk programma. Het begon met een wandeling voor zonsopgang en omdat die al om 6:00 opkomt, moesten we om 4:45 klaar staan voor de korte jeeprit naar het juiste uitzichtpunt. Vanaf daar was het een steile klim van een halfuur langs een tempel en de restanten van een liggende Boeddha; deze werd beloond door een prachtige zonsopgang over de bergen heen. Terug in het hostel besloten we nog even een uurtje te slapen, voor we aan het dagprogramma begonnen. We wilden namelijk graag naar de oude stad van Polonnaruwa, maar dat was ruim een uur rijden met de tuktuk en dat vonden we toch een beetje te veel van het goede. Dus tukten we een kwartiertje naar de dichtstbijzijnde serieuze stad, waarvandaan we de lokale bus namen naar de plaats van bestemming (die er door een moordend tempo nog geen driekwartier over deed). Het was nog even zoeken in de bloedhitte naar de juiste plek om kaartjes te kopen en we moesten, vrij letterlijk, de goedbedoelde locals die ons tuktuks en fietsen wilden aanbieden van ons afslaan, maar uiteindelijk waren we de oude stad in. Polonnaruwa is een oude hoofdstad van Sri Lanka, net als Anuradhapura; deze stad is wat 'jonger' (slechts duizend jaar oud), maar ook minder bezocht, en dat merkte je want we waren vaak de enigen. Het was erg heet, maar gelukkig hadden we veel water bij ons, waren er veel bomen en vonden we halverwege een ijsjeskraam. Er waren veel verschillende ruïnes, zoals een kerkachtig gebouw met (de resten van) een enorme staande Boeddha, de restanten van een oud klooster, en een vatadage (een oude stupa met verschillende Boeddhabeelden eromheen), en de restanten van een oud paleis en troonzaal. Na vijf uur tempelen namen we de bus terug naar de tuktuk en de tuktuk terug naar Sigiriya, waar we wederom in het dorp aten, inclusief een toetje om onszelf te belonen voor de gewandelde twintig kilometer.
Op onze laatste dag in Sigiriya gingen we dan daadwerkelijk naar de ruïnes van Sigiriya toe. Deze zijn gecentreerd rond een enorme rots, de Lion's Rock, en bevatten de restanten van het paleis van een ietwat bloederige en ijdele koning. Rond de rots heen zijn de restanten van verschillende tuinen; je ziet er niet veel meer van, maar het uitzicht op de enorme rots aan het einde is fenomenaal. Daarna gaat de route de rots op. Dit is een pittige klim, zeker voor - verrassend genoeg - de lokale toeristen, die in spijkerbroeken en lange mouwen gekleed de trappen op strompelen en af en toe oververhit en kotsend in een hoekje liggen uit te puffen. Wij sjokten op een iets hoger tempo naar boven. Ook van de paleisruïnes bovenop de rots is weinig over, maar de locatie is prachtig. Wat wel erg bijzonder was waren de befaamde stenen leeuwenpoten naast een van de trappen op de rots en de goed bewaarde rotsschilderingen van concubines onder een uitstekende steen. We klommen terug door de boulder gardens, langs wat loerende apen, en terug naar onze tuktuk, om vervolgens onze weg te vervolgen naar Kandy. Tijd voor een paar dagen in de wilde natuur!
1 Reactie
-
Ina:2 oktober 2024Mooie dingen gezien, hoor. Zijn jullie nu een beetje uitgetempeld?